Laat je opleiden tot pijpleidingingenieur!

Van geboorte tot hartekreet - Gerard Kruisman

Dit artikel schreef Gerard Kruisman bij de gelegenheid van zijn ere-voorzitterschap in 2015.

 

Het is 1964; de Deltawerken zijn volop in bouw als reactie op de boze herinnering uit 1953. In 1958 wordt in Slochteren, Groningen, naar gas geboord, maar niets gevonden. Aan het einde van de week wordt van hogerhand besloten te stoppen met boren, maar de jonge ingenieur die de leiding heeft, weet dat nog even doorboren leidt tot het bereiken van een nieuwe laag. De crew offert het weekeinde en vindt de grootste gasbel van Europa. Nederland heeft geluk. Dus zo snel mogelijk het gasveld exploiteren. Daar heb je leidingen voor nodig. De eerste grote transportleiding wordt gepland door de oostenlijke provincies, die merendeels een zanderige ondergrond hebben en van daaruit naar het westen. Er is echter nagenoeg geen eigen pijpleiding-technologische kennis aanwezig in Nederland. Buitenlandse ingenieursbureaus en aannemers woren ingehuurd om de klus te klaren. Basis zijn de Amerikaanse ANSI B31 codes.


Maar als de bouw gevorderd is tot even na de grens tussen de provincies Utrecht en Zuid-Holland, ligt daar een boezemwater in de weg. De Dubbele Wiericke, oorspronkelijk tezamen met de Enkele Wiericke, een goede kilometer verderop, deel uitmakende van een inundatie verdedigingswerk uit 1685. Zachte gronden in polders die een paar meter onder het boezempeil liggen. Slappe klei en veen. Ook de dijken zijn gebouwd uit veen met steile taluds en van de dijkafschuiving in Wilnis weten we dat dat soort dijken weinig eigen stabiliteit heeft.


Als de Nederlandse Gasunie, opgericht in 1963, vergunning aanvraagt bij het polderbestuur om de Dubbele Wiericke te kruisen en het Amerkaanse ingenieursbureau Bechtel uiteenzet dat zij al minstens twaalf jaar ervaring hebben met het kruisen van waterwegen, krijgen zij als antwoord “Maar wij hebben meer dan duizend jaar ervaring met onze dijken”. Het polderbestuur gaat te rade bij Provinciale Waterstaat van Zuid-Holland. Met als gevolg dat de toen jonge ingenieur R.A.J. de Kock, in Delft begonnen in het jaar van de boze herinnering, antwoordt “Laat ze maar aantonen dat de pijpleiding de dijken niet in gevaar brengt”. Dat aantonen leidt tot een uitermate gecompliceerde kruising. Om die “sloot” van amper 10 m breedte te kruisen, moest om en nabij 5 miljoen gulden geïnvesteerd worden en maanden vertraging om tot overeenstemming te komen over een veilige kruisingsconstructie waarop vergunning kon worden verleend. Dat leidde tot de geboorte van Nederlandse kennis op het gebied van pijpleidingtechnologie. Niet altijd zonder slag of stoot, maar wel heel effectief. “Toon maar aan dat wat je wilt, veilig is voor onze dijken”. 

Afbeelding van geboorte tot hartekreet Gerard Kruisman Op verschillende plaatsen bogen vooral jonge ingenieurs zich over de problematiek van het gedrag van (hoge druk) leidingen in zachte gronden met zettingen en één ding werd alras duidelijk: Je moet een hogedruk leiding niet proberen vast te leggen met ankerblokken, maar juist vrij laten.


Alle kennis die werd ontwikkeld en goedgekeurd door de Kock, waarbij hijzelf ook een belangrijke bijdrage leverde, werd ondergebracht in de Provinciale Pijpleidingcode 1972 (PC’72), die techno¬logisch aangepast bleef worden totdat in 1992 de NEN 3650 Pijpleidingcode voor het eerst uitkwam. Deze laatste is overigens in belangrijke mate gebaseerd op die PC’72.
Die jonge ingenieurs, die in de 60’er jaren met deze technologie waren gestart, begonnen in 1992 al aardig naar hun pensioengerechtigde leeftijd te komen en het was te voorzien, dat als zij vertrokken, er een gat zou vallen in de kennis waarop de NEN 3650 gestoeld is. Bovendien bedachten leiding¬eigenaren dat deze norm het einde van de verdere kennisontwikkeling zou kunnen zijn, “Immers alle benodigde kennis is daarin ondergebracht en wordt het dus een kwestie van werken volgens de recepten van het kookboek”.


In 1992 vroeg het bestuur van het Nederlandstalige Buisleiding Industrie Gilde aan uw schrijver om voor de leden van het Gilde een uiteenzetting te geven over de pijpleidingnormontwikkeling binnen Nederland. De presentatie eindigde, gebaseerd op de hier genoemde constateringen, met de vraag “Quo Vadimus, ofwel waar gaan wij naar toe?” Worden we op knoppen drukkende apen of blijven we ingenieurs, die nadenken over de veiligheid van pijpleidingen en die de normen daarbij als leidraad hanteren en steeds aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen? In het eerste geval “doe maar wat je gezegd wordt (“regeltjes”); in het tweede geval weet wat je doet (“zelf nadenken”, dus kennis en ervaring).


In 1993 komt het bestuur van BIG terug op die vraagstelling met de vraag om een werkgroep samen te stellen teneinde de toekomst van het vakgebied te gaan verkennen. Al spoedig komt de werk¬groep tot de conclusie dat een vakgebied niet kan bestaan zonder een daarop gerichte opleidingsmogelijkheid.


Na inventarisatie van de breedte van het vakgebied, verkenning van een wenselijk curriculum, en niet onbelangrijk, het creëeren van draagvlak binnen de branche en daarbuiten, alsmede het bijeenharken van de nodige gelden om een opleiding van de grond te tillen, wordt in 2002 de Stichting Pipeliner opgericht met als doel het opleidingsinitiatief te verwezenlijken en de daaruit ontstane opleiding te beheren. De regeling Scholingsimpuls van de overheid is daarbij een belangrijke financiële steun geweest.


Ondertussen is ook overleg geweest met een een tweetal hogescholen om tot een keuze van opleidingsinstituut te komen; het werd de hogeschool Tiburg. Nadien bleek de opdracht tot het totstand-brengen van de Pipeliner opleidingsstructuur te moeten gaan naar de commerciele tak van de hogeschool, Nova Knowledge, opgevolgd door Avans+. In 2003 leidt dit tot de start van het eerste cohort.


Nu in 2015 is qua Technisch Pijpleidingingenieur het twaalfde cohort onderweg naar het TP diploma en het elfde cohort werkt voor het AP diploma. Telkenjare wordt getracht een zo breed mogelijke groep samen te stellen, zowel qua vooropleiding als ervaring en ervaringsdiscipline. Want leren doe je vooral van elkaar. En hoe hechter de groep wordt hoe beter het resultaat en de voldoening van de deelnemers. Tijdens de opleiding maar vooral daarna.


Het masterdeel komt er wat bekaaid van af. Het persoonlijke belang dringt vaak niet door tot de deelnemer en het bedrijfsbelang niet tot de werkgever. Als beiden dat belang zien de wil hebben, wordt het masterdeel van de opleiding voor die deelnemer een succes. Een taak dus voor het opleidingsinstituut om de waarde van de masteropleiding beter te benadrukken. Ook de stichting kan daarbij behulpzaam zijn.


De toekomst tenslotte zal gevormd worden door het thans vernieuwde en verjongde stichtings¬bestuur, die daarbij mogelijk een verdere uitbreiding van het opleidingspakket te zien gaat geven, omdat ook de vraag naar pijpleidingingenieurs op MBO niveau manifest blijkt. Ook de overdracht van de in Nederland ontwikkelde kennis op het gebied van pijpleidingen in zachte gronden naar het buitenland heeft zeker toekomst. Er zijn immers vele deltagebieden met zachte gronden in de wereld. Maar niets gaat vanzelf en is er nog zoveel te doen om al die ideëen te ontwikkelen en te realiseren. Daartoe is veel idieële energie en inzet nodig om de weerbarstige realiteit (lees: vermeend rendementsdenken en commercialiteit) te overwinnen.


Laat ik daarom eindigen met de hartekreet van Gustav Mahler, die na jaren (onbegrepen) huwelijk met Alma, deze onderbracht in zijn 10de symphonie “Für Almschi”, aan haar opgedragen. Het bleef echter een “unvollendete”, omdat hij stierf.

 

Oh ja, deze hartekreet heeft ook nog ten grondslag gelegen aan het nieuwe logo van de Stichting. Aan u, lezer, om het verband te achterhalen.

 

Waarder, 12 mei 2015,
Gerard Kruisman, ere-voorzitter van het bestuur van de Stichting Pipeliner.

Master of Pipeline Technology

  • Praktijkgerichte branche-opleiding
  • Multidisciplinaire insteek
  • Waardevol netwerk

 

Stel een vraag         

 

Brochure aanvragen

 

Aanmelden